Geur, luchtkwaliteit en stikstof in bestemmingsplan buitengebied

Geur, luchtkwaliteit en stikstof in bestemmingsplan buitengebied

Geur, luchtkwaliteit en stikstofdepositie. Drie belangrijke ingrediënten bij het opstellen van een bestemmingsplan voor het buitengebied. Tegelijkertijd zijn het thema's met de nodige haken en ogen. De adviseurs van Antea Group ondersteunen gemeenten om deze onderwerpen in een solide bestemmingsplan te integreren. In dit artikel zoomen we hier op in.

Een nieuw vast te stellen bestemmingsplan Buitengebied vraagt vandaag de dag bijna altijd om een PlanMER. Dit komt onder andere omdat het plan (intensieve) veehouderijen mogelijk maakt die m.e.r.-beoordelingsplichtig of zelfs direct m.e.r.-plichtig zijn, maar ook gezien de ligging van het buitengebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Het planMER brengt de effecten op de diverse milieuaspecten en een geurknelpuntenanalyse in beeld. Drie milieuaspecten die beoordeeld worden zijn geur afkomstig van veehouderijen, luchtkwaliteit en stikstofdepositie. De drie worden in sterke mate bepaald door agrarische bedrijven en de glastuinbouw, vaak in samenhang met een installatie voor het opwekken van eigen energie.

Geur afkomstig van veehouderijen
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingkader voor geur afkomstig van veehouderijen. In de wet wordt niet expliciet ingegaan op de gevolgen van geuremissie voor ruimtelijke planontwikkeling. Vanuit het principe van 'goede ruimtelijke ordening' is het wel noodzakelijk om in de beoordeling van de gevolgen voor het plangebied en zijn omgeving rekening te houden met de milieubelasting die (agrarische)bedrijven veroorzaken.

Een goede ruimtelijke ordening vraagt ook een gegarandeerd 'goed leefklimaat' voor de gebruikers van het plangebied. Hierbij moet rekening worden gehouden met de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving (de zogenaamde achtergrondbelasting). Het planMER, dat vaak voorafgaat aan het bestemmingsplan, geeft hier invulling aan door de huidige geurbelasting en het daarmee samenhangende leefklimaat in het plangebied inzichtelijk te maken.

Door de geurbelasting van het voorgenomen bestemmingsplan en eventuele alternatieven inzichtelijk te maken, kan beoordeeld worden of er sprake is van een (acceptabele) toe- of afname van de geurbelasting (en het daarmee samenhangende leefklimaat) in het plangebied. Dit inzicht kan leiden tot het vastleggen van het oorspronkelijke voornemen of één van de alternatieven in het nieuwe bestemmingsplan.

Luchtkwaliteit
Veehouderijen leveren in Nederland een aanzienlijke bijdrage aan de concentraties fijn stof (PM10). Met name bij grote pluimveebedrijven. Naast fijn stof kan stikstofdioxide (NO2) voor het aspect luchtkwaliteit relevant zijn. Het gaat dan met name om de emissies van NOx uit (WKK-)installaties bij de agrarische en glastuinbouwbedrijven. In het kader van het bestemmingsplan buitengebied worden voor diverse scenario's berekeningen uitgevoerd om de effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

De luchtkwaliteit wordt getoetst op maatgevende locaties; die locaties waar sprake is van relevante blootstelling. Interessant is dat er bij individuele vergunningverlening niet bij de eigen bedrijfswoning getoetst hoeft te worden. Bij een bestemmingsplan buitengebied worden de gezamenlijke effecten van alle bedrijven beoordeeld en alle (bedrijfs)woningen moeten hierbij worden getoetst.

Hoe meer veehouderijen, des te gecompliceerder de beoordelingssystematiek. Toch kan de onderzoekslast beperkt blijven, onder meer door uit te gaan van de informatie uit de vergunningbestanden en goed onderbouwde keuzes bij de vergelijking van scenario's. Dit leidt tot een werkwijze die relatief snel een compleet beeld oplevert van de effecten op de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

Stikstofdepositie
Onderzoek naar de depositie van stikstof brengt de aspecten geur en luchtkwaliteit qua emissies dichter bij elkaar. Bij stikstofdepositie wordt gekeken naar de depositie van ammoniak (NH3) én de depositie van stikstofoxiden (NOX). De gebieden waar stikstofdepositie beoordeeld wordt, zijn met name de zogenaamde Natura 2000-gebieden. In veel gevallen wordt de depositie ook inzichtelijk gemaakt op de zeer kwetsbare gebieden ingevolge de Wet ammoniak en veehouderij.

Voor de alternatieven en scenario's wordt de bijdrage aan de stikstofdepositie berekend en vergeleken met de huidige situatie. Op basis van deze informatie, gecombineerd met de achtergrondwaarden van de stikstofdepositie en de -gevoeligheid van verschillende habitats, beoordeelt de ecoloog of sprake is van mogelijke schadelijke effecten voor beschermde planten en diersoorten. Deze effecten leiden mogelijk tot mitigerende maatregelen om de invloed van stikstofdepositie te verkleinen of te compenseren.